18/10/2026
Uit het Stoomtram Documentatie Centrum
Het overlaadprobleem van goederen, opgelost met rolwagens.
Veel trambedrijven gebruikten een smallere spoorwijdte dan het hoofdspoor. Goederen moesten daarom overgeladen kunnen worden. De rolwagen vormde een mogelijkheid om dit overladen te omzeilen. Op veel smalspoorlijnen in het buitenland werden rolwagens ingezet. In Nederland bleef dit beperkt tot vier bedrijven.
De Zuider Stoomtramweg-Maatschappij (ZSM) Breda-Oosterhout werd aangelegd met een spoorwijdte van 1067 mm. De ZSM schafte ten behoeve van doorvoer van spoorwagens in 1880 maar liefst drie rolwagens aan, gevolgd door twee stuks, resp. in 1881-1882. In 1893 werden de rolwagens overbodig. In 1898 werden twee stuks verkocht aan de Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij (RTM), die ze wilde gebruiken voor doorvoer van spoorwagens over haar smalsporige (1067 mm) tramnet. De RTM ging echter een systeem van wissellaadbakken op losse onderstellen gebruiken, die overgeplaatst konden worden op schepen en spoorwagons. Dit maakte rolwagens overbodig. De rolwagens werden verder alleen nog maar gebruikt voor transport van tweedehands materieel naar de Centrale Werkplaat om dat naar 1067 mm te verbouwen.
De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HYSM) schafte in 1883 een rolwagen aan voor vervoer van spoorwagons over haar normaalsporige stoomtramlijn Beverwijk-Wijk aan Zee, die vanwege het Demerbespoor niet geschikt was voor het wielbandprofiel van spoorwielen. Over het feitelijke gebruik op die lijn is verder niets bekend.
De Ooster Stoomtramweg-Maatschappij schafte in 1920-1921 in totaal vier rolwagens aan voor doorvoer van 1067 mm sporig goederenmaterieel van de Utrechtse Heuvelruglijn over de normaalsporige elektrische tramlijn Utrecht-Zeist. In 1924 was het abrupt afgelopen toen een rolwagen ontspoorde in het wegens vernieuwing open gegraven wisselcomplex op de Neude. Het geheel kwam muurvast te zitten en kon pas aan het einde van de dag herspoord worden. De Utrechtse gemeentelijke tramlijnen 2, 3 en 4 waren hierdoor eveneens gestremd, wat voor de gemeente Utrecht aanleiding was om de vergunning voor het rolwagenvervoer met onmiddellijke ingang in te trekken.
De Stoomtramweg-Maatschappij Oostelijk-Groningen (OG) gebruikte vanaf 1922 zes rolwagens om haar smalsporige (1067 mm) goederenwagens door te voeren over de normaalsporige havensporen in Delfzijl. De wagens werden getrokken door een diesellocomotief van het Provinciaal Havenbedrijf, die toch wel moeite had met deze stug lopende, niet geveerde rolwagens met feitelijk te kleine wielen. De trekkracht van de locomotief schoot te kort. De aanschaf van een andere locomotief via de NS werd het havenbedrijf te duur, zodat men voort bleef sukkelen, totdat de Provincie het gebruik van rolwagens in de haven van Delfzijl met ingang van 1 februari 1940 verbood.
Op de foto: tramgoederenwagens E 88 en E 87 van de OG op rolwagens in Delfzijl. Foto: W.D.J. Cramer 19-05-1936.
Het Stoomtram Documentatie Centrum documenteert de geschiedenis van de stoomtrams in Nederland, en is onderdeel van de Museumstoomtram Hoorn-Medemblik
[email protected]