04/09/2026
Hoe het vroeger was in en rond ons gebouw.
Herinneringen van een straatjongen uit het havenkwartier
In de jaren zestig en zeventig, toen Hoorn nog naar teer, haring en natte stoepstenen rook, woonden wij in het havenkwartier — een buurt waar iedereen elkaar kende, tot de hond toe. Elke week kwam er een merkwaardige bus door de straat, een grijze oude bak met tralies voor de ramen. Daarin zaten ze, de “beroemdheden van de buurt”, op weg naar hun tijdelijke logeeradres: de gevangenis op het Oostereiland, beter bekend als de Krententuin.
Die bijnaam had trouwens niks met fruit te maken. Het verhaal gaat dat er ooit, lang geleden, krentenbomen en struiken groeiden op het eiland — lang voor het een gevangenis werd. Anderen zeggen dat het kwam omdat de gevangenen krentenbrood kregen als traktatie bij goed gedrag. Hoe dan ook, in Hoorn noemde niemand het ooit anders dan de Krententuin.
Op de hoek van het Hoofd en de Italiaanse Zeedijk zat Café De Volendammer, van tante Marie — een pittige vrouw met een stem als een scheepshoorn en een hart van goud. Daar verzamelden we ons ’s avonds, na het werk, voor een pilsje van één gulden. De glazen waren klein, maar de verhalen groot.
Soms ging de deur open en kwam er zo’n bekende “gast” binnen, net uit de bus of er vlak voor. In z’n hand een briefje van de gevangenis. Liet je dat aan tante Marie zien, dan kreeg je een gratis borrel. En geloof me, tante Marie was niet de beroerdste — als er tien van die “klanten” binnenstapten, liep het uit op een halve reunie. Er werd gelachen, gezongen en gepraat alsof niemand de volgende ochtend “achter de muur” hoefde te zitten.
Ze waren niet gevaarlijk, hoor. Meestal betrof het kleine vergrijpjes — een nachtje brommen voor dronken rijden, of een akkefietje met de politie na een kermisavond. En dan, tegen elven, zag je ze slenteren richting Oostereiland, over de stenen brug, ieder met z’n kraag omhoog en z’n handen in de zakken. Alsof ze op weg waren naar de kerk, in plaats van de cel.
De gevangenis op het Oostereiland, officieel onderdeel van het Rijkswerkinrichting Hoorn, sloot midden jaren tachtig definitief de poorten. Tegenwoordig huisvest het Nautisch Museum en een filmtheater, maar als je er langsloopt in de schemering, kun je het nog bijna horen — het gelach uit de Volendammer, het rammelen van de bus, en tante Marie die roept: “Laat dat briefje eens zien, jongen, je hebt wel wat verdiend!” (tekst John Koopmans)