12/10/2026
Vroeger was Maarssenbroek een zelfstandig gerecht. Voor wie het leuk en interessant vind, wordt hieronder een uitgebreide toelichting gegeven over de geschiedenis, de taken en de samenstelling van het gerecht Maarssenbroek.
De gerechten hadden tijdens de Republiek een tweeledige functie:
- de functie van rechtscollege en
- de functie van bestuursorgaan.
Als rechterlijk college bezat het gerecht Maarssenbroek in principe de lagere rechtspraak in haar gebied. Naast afdoening van boetstraffelijke en civiele zaken behoorde ook de vrijwillige of contentieuze rechtspraak tot haar bevoegdheid. Hieronder wordt ondermeer verstaan het vastleggen van het transporteren of bezwaren door derden (door middel van hypotheken/plechten) van onroerende goederen onder, waardoor op deze wijze rechtsgeldigheid werd verkregen.
In de middeleeuwen waren de dagelijkse gerechten bevoegd voor wat betreft de criminele zaken in boetstraffelijke zaken en volledig bevoegd als het ging om burgerlijke zaken. Indien er sprake was van een geschil met betrekking tot onroerend goed werd recht gesproken door middel van het zeventuig (waarbij zeven naburige buren een verklaring aflegden over een lokaal verschil).
Het Landrecht en de stedelijke gerechten fungeerden als hoger beroepsorgaan voor de uitspraken van de lagere (plattelands)gerechten; tevens kon dit Landrecht in verscheidene procedures als rechter van eerste aanleg fungeren. Voor wat betreft het hoger beroep moet een uitzondering worden gemaakt; als het gaat om procedures behandeld door het zeventuig was in principe geen hoger beroep mogelijk. Ingevolge de eerste instructie hield het Landrecht viermaal per jaar zitting in Wijk bij Duurstede.
Het Landrecht werd in 1530 vervangen door het Hof Provinciaal, dat te Utrecht gevestigd was.
Tot 1561 was Maarssenbroek een buurrecht, hierna werd het een schepengerecht. De vervanging van een buurrecht door een schepengerecht was op eigen verzoek gebeurd. Het verzoek hiertoe werd gemotiveerd met "...Buurrecht, waaruyt groote ongereegeltheeden ende andere abuysen dagelycx opkoomen, ende gebeuren, soo die gemeen buuren den Schout niet geeëd zijn, ende mitsdien hem en niet obedieeren ende onderdanig zyn in het administreren van der justitie, het welk tendeert tot groot achterdeel van partyen's regt aldaar te doen hebben...".
In 1759 was het gerecht samengesteld uit een schout en vijf schepenen, bijgestaan door een secretaris en een bode. Zittingen vonden plaats in het "rechtshuys" De Prins dat in Maarssen stond en dat tevens als woonhuis diende voor de gerechtsbode.
Saillant detail was dat in 1759 werd aangegeven dat de schepenen "veeltyds en meerendeels Roomschgezint" waren; blijkbaar een opzienbarend feit.
De maarschalk was oorspronkelijk een bisschoppelijke ambtenaar belast met de opsporingsbevoegheid, bevelhebber der bisschoppelijke troepen en handhaver van het recht op het platteland. Gedurende de Republiek bleef de functie van maarschalk bestaan.
De schout fungeerde als voorzitter van het gerecht, tegelijkertijd was hij belast met de rechtsvordering en (dikwijls) de tenuitvoerlegging van het vonnis. Hij was zoals vroeger aangeduid de rechter, m.a.w. de rechtshandhaver. Hij wees echter geen vonnis! Het vonnis werd gewezen door de schepenen. De schout had daarnaast ook de functie van belastinggaarder.
Voor het kiezen van de schepenen werd jaarlijks een nominatie met dubbeltallen door de schout opgesteld, waaruit de ambachtsheer/vrouwe een keuze maakte.
Jaarlijks moest volgens het octrooi uit de "...den verstandigsten personen...", "...manen van eere, van goeden faame ende naame, die den anderen in darden graet, ofter naarder niet en bestaan, soo verre men die aldaar vinden sal konnen..." gekozen worden.
De schout werd ook benoemd door de ambachtsheer/vrouwe.
In de achttiende eeuw was de groep personen waaruit de schepenen werden gekozen vrij klein, we zien dan ook bijna steeds dezelfde personen het schepenambt vervullen. Maarssenbroek telde ondanks de relatief grote omvang van het grondgebied slechts een gering aantal inwoners. We zien dan ook dat bijvoorbeeld in de 19e eeuw dezelfde personen tientallen jaren lang de functie van raadslid bekleedden.
Over het algemeen koos de ambachtsheer/vrouwe uit de nominaties de nieuwe schepen[en], bij uitzondering besloot zij/hij de zittende schepenen niet te vervangen.
Op een vergadering werden een onderwerp of meerdere onderwerpen c.q. zaak/zaken behandeld.
Voorgeschreven was het houden van jaarlijks vier open rechtsdagen, al werd hier niet altijd de hand aan gehouden gelet op een ordonnantie daterende van 1659 door het Hof Provinciaal van Utrecht. In deze ordonnantie werd op straf van een geldboete geordonneerd "...Interdicerende henlieden op deselve open dagen in eenige andere saken recht en Justitie te doen, anders als van schade ende schuit,..." (Johan van de Water).
In de open rechtsdagen werd aan partijen de mogelijkheid geboden tot het wederzijds procederen.
Op 3-3-1795 besloten op twee na de gezamenlijke ingezetenen van Maarssenbroek de zittende schout en schepenen af te zetten. Immers deze vormden een "onwettige regeering" en als leus gold "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap". Dirk Broeke en Cornelis Bom werden door de burgerije gekozen met de opdracht tot het samenstellen van een provisioneel bestuur. Op 9 maart werd dit bestuur gekozen. Schout werd Jasper van den Helm, schepenen werden Leendert van Zeldenrijk, Mathijs van Lugtenburg en Albert van Oostwaard, Theodorus van der Vliet werd secretaris en Hendrik Oostveen bode. Tegelijkertijd werd hun takenpakket omschreven als "...Schout & Scheepenen zyt altoos yverig en getrouw, nimmer angstig maar cordaat in uwe besluyten, op dat deselve mogen uytloopen tot welzyn en behoud van 't algemeen en deze burgerye in t byzonder alsmeede gy Secretaris in t' notuleeren en gy bode in t' uytoeffenen van uwe beveelen..."
Drie maanden later werden Cornelis Bom, Dirk Broeke en Cornelis Baars benoemd tot municipalen, Baars bedankte echter in eerste instantie voor deze post.
Op 8 juni legden de schout N.W. Budding en de schepenen Cornelis Bom en Dirk Broeke en nieuwe belofte af.
Budding was overigens de op 3 maart afgezette schout en nu blijkbaar weer goed bevonden voor de functie van schout.
Om aan de roep naar democratie tegemoet te komen werd langzamerhand van hogeraf een kiesstelsel ingevoerd waarbij de grondvergadering een belangrijke rol ging spelen.
De Bataafse Republiek was conform het reglement van december 1795 verdeeld in 126 districten met elk omstreeks 15.000 inwoners. De provincie Utrecht telde 6 districten, waarvan twee in de stad zelf. Elk district was verantwoordelijk voor het kiezen van een vertegenwoordiger in de Nationale Vergadering. Dit kiezen gebeurde door kiezers - die op hun beurt gekozen waren in/door de grondvergaderingen - samenkomend in districts- of kiezersvergaderingen. Op 26 januari van het daaropvolgende jaar volgden de verkiezingen voor de leden van de eerste Nationale Vergadering.
In 1798 werden nieuwe regels opgesteld op grond van de grondwet. Het aantal districten werd teruggebracht tot 94 gebaseerd op een inwonersaantal van omstreeks 40.000 inwoners.
De grondvergaderingen waren nu ook verantwoordelijk voor het nomineren van de leden van het Vertegenwoordigend Lichaam; daarnaast moest de af te vaardigen kiezer nu ook een plaatsvervanger hebben. Het criterium om gekozen te worden was het hebben van meer dan de helft van de stemmen van de kiezersvergadering in een district.
In hetzelfde jaar was ook vastgesteld dat de departementale besturen zeven leden telden, één voor elke ring waaruit ze bestonden; ook hiervoor vond de verkiezing plaats vanuit de grondvergaderingen.
Het besluit van 13-5-1799 van het Vertegenwoordigend lichaam van de Bataafse Republiek regelde ondermeer de samenstelling en taken van de grondvergaderingen. Deze grondvergaderingen waren kiescolleges samengesteld uit stemgerechtigde ingezetenen.
Afhankelijk van de vraag of de verkiezing het Vertegenwoordigend lichaam of de Departementale Besturen betrof, vergaderde de grondvergadering jaarlijks de laatste dinsdag van mei, respectievelijk de laatste dinsdag van juni. Het Uitvoerend Bewind verzorgde de convocatie en het gemeentebestuur bepaalde het uur. Tevens diende het gemeentebestuur voor een vergaderlokaal, de acte van staatsregel, een exemplaar van eerdergenoemd besluit van 13-5-1799, de kiezerslijst, een stembus, lak, zegels en schrijfbehoeften zorg te dragen.
Van de aanwezige stemgerechtigden werd de oudst aanwezige benoemd tot provisioneel voorzitter, de jongst aanwezige tot secretaris. De stemgerechtigde moest zijn stemrecht aantonen; overigens was dit stemrecht alleen van kracht binnen de grondvergadering waartoe hij behoorde.
Via een geheime stemming werden vijf stemopnemers benoemd. Degene die de meeste stemmen kreeg werd vervolgens voorzitter; de overige werkzaamheden werden onderling geregeld.
Elke stemgerechtigde legde voor aanvang van de vergadering de belofte af zich te houden aan de verklaring trouw te zijn aan de Bataafse Republiek en tegenstander te zijn van stadhouderschap, aristrocatie en "regeeringsloosheid". De stemopnemers droegen zorg dat geheimhouding in acht werd genomen en dat er geen kandidaten naar voren werden geschoven. De voorzitter, secretaris en drie stemopnemers brachten eerst hun stem uit, waarbij overleg uitgesloten moest zijn! De gekozen kiezers mochten niet afzien van hun benoeming, tenzij de grondvergadering de aangevoerde reden(en) accepteerde. De kiezer(s) en de plaatsvervanger(s) kregen een lastbrief van de grondvergadering mee, waarbij zij gerechtigd werden hun stem(men) uit te brengen hetzij in de districtsvergadering (verkiezing voor het Vertegenwoordigend Lichaam) hetzij de ringvergadering (verkiezing voor het Departementaal Bestuur).
Kieseisen voor het Vertegenwoordigend Lichaam waren:
- stembevoegd zijn;
- minimaal dertig jaar oud;
- gedurende de laatste 10 jaar woonachtig binnen de Republiek zijn, indien de geboorteplaats op het grondgebied van de Republiek lag, indien dit laatste niet het geval was dan 15 jaar woonachtig zijn. Uitgesloten was men als men niet langer dan drie jaar geleden afgetreden was als lid van het Uitvoerend Bewind of verbonden aan een kerkelijke eredienst c.q. het openbaar onderwijs.
De te benoemen leden mochten overigens ook geen deel uit maken van de grondvergadering waarin de stemming plaatsvond.
In 1800 vormde Maarssen met Maarssenbroek twee grondvergaderingen, NieuwMaarsseveen een eigen grondvergadering en Oud-Maarsseveen één met Achttienhoven.
Al deze grondvergaderingen behoorden tot het 39e district.
Op 30-5-1800 vond in het Fort te Nieuwersluis een vergadering plaats; de lijst hiervan geeft ons de namen van de kiezers en de leden en plaatsvervangers van het Wetgevend Lichaam. Voor Nieuw-Maarsseveen was de representant voor het Wetgevend Lichaam G. van der Zoo en zijn plaatsvervanger J.P. Ondaatje, kiezers waren J. Jansen en een absent; voor Oud-Maarsseveen waren de representant c.q. plaatsvervanger G. van der Zoo en C. de Wolf en de kiezer Cornelis Spelt.
Voor Maarssen/Maarssenbroek waren de representanten c.q. plaatsvervangers J. van den Helm, Hendrik Slok plaatsvervangers en G. van der Zoo, plaatsvervanger J. van den Helm, kiezers waren Cornelis van Dijk en F. van der Vliet.
In 1801 kwam een nieuwe grondwet tot stand. Uitgezonderd het bepaalde dat verkiezingen volgens een getrapt stelsel plaats zouden vinden werd verder niets geregeld.
De leden van het Wetgevende Lichaam, in de plaats gekomen van het Vertegenwoordigende Lichaam, werden de eerste keer door het Staatsbewind gekozen. Elk lid vertegenwoordigende hierbij een departement.
Jaarlijks trad een derde deel van dit lichaam af op basis van een rooster dat tot stand was gekomen door middel van loten.
Een zelfde gang van zaken gold voor de departementen.
Bij wet van 18 februari 1803 werd het nieuwe kiesstelsel vastgelegd. De oude grondvergaderingen bleven als basis fungeren, wel waren ondermeer de samenstelling en werkwijze aan grote veranderingen onderhevig.
In 1805 werd in verband met de totstandkoming van een nieuwe grondwet de reguliere kieswet buiten werking gesteld, om vervolgens in april 1807 door een nieuwe te worden vervangen.
Vier jaar later werd in Nederland het Franse kiesstelsel ingevoerd.
Tekst afkomstig uit het Utrechts Archief.
Afbeeldingen; Pieter de Malapert (ambachtsheer van Maarssenbroek) en Suzanne Godin (ambachtsvrouwe van Maarssenbroek).
Tentoonstelling 'De andere kant van Maarssenbroek'.
Het Vechtstreekmuseum is geopend van woensdag tot en met zondag van 13.30 tot 16.30 uur.