13/10/2026
𝐌𝐚𝐫𝐮𝐦𝐞𝐫 𝐉𝐚𝐧 𝐁𝐨𝐞𝐫𝐞𝐦𝐚 (𝟏𝟎𝟕) 𝐝𝐞𝐞𝐥𝐭 𝐳𝐢𝐣𝐧 𝐨𝐨𝐫𝐥𝐨𝐠𝐬𝐡𝐞𝐫𝐢𝐧𝐧𝐞𝐫𝐢𝐧𝐠𝐞𝐧
Jan Boerema is niet alleen de oudste inwoner van de gemeente Westerkwartier, maar ook de oudste nog levende veteraan van Nederland. In mei 1940 verdedigde hij als 21-jarige korporaal de Afsluitdijk en maakte hij de Slag om Kornwerderzand mee.
Onlangs speldde Marco Kroon hem het Mobilisatie-Oorlogskruis op. Daarnaast heeft de gemeente Westerkwartier de door Jan zelf opgeschreven ervaringen uit zijn militaire diensttijd één op één opgenomen in een in 2026 uitgebracht boekwerk. Over zijn verdere ervaringen tijdens de oorlogsjaren was tot nu toe weinig bekend. Tijdens een gesprek van bijna twee uur vertelde Boerema over wat hij tijdens de oorlogsjaren met eigen ogen had gezien en meegemaakt.
Na de capitulatie van Nederland zat Boerema krijgsgevangen in Den Oever. Hij kreeg al gauw de kans om een briefje naar zijn bezorgde familie thuis mee te geven aan een vrachtwagenchauffeur die richting Groningen zou gaan. Hij schreef snel een kort geruststellend bericht: ‘16 mei, 𝐴𝑙𝑙𝑒𝑠 𝑤𝑒𝑙’.
Kort na de capitulatie werd hij vrijgelaten en keerde hij terug naar de boerderij van zijn familie in Nuis, vlak bij Marum. In de eerste periode leek het leven gewoon door te gaan, maar de oorlog en de onderdrukking door de bezetter kwamen steeds dichterbij. Vanaf het boerenerf zag hij parachutisten uit een neerstortend vliegtuig springen, zocht hij dekking tijdens de beschieting van de Drachtster Tram en vond hij op zijn land aluminium strookjes die werden gebruikt bij operatie ‘Window’. Destijds had hij nog geen idee dat deze bedoeld waren om de Duitse radarinstallaties op Trimunt te misleiden.
Boerema herinnert zich nog goed hoe groot de impact van het drama van Trimunt was. Op 3 mei 1943 werden zestien onschuldige inwoners van Marum door de bezetter doodgeschoten als wraak voor de april-meistakingen. Na deze gruwelijke massamoord meldde de verantwoordelijke Duitse majoor Mechels dit bij het gemeentehuis van Marum, waar de broer van Boerema op dat moment werkte. Het nieuws over deze wreedheid verspreidde zich snel en versterkte het gevoel van onveiligheid in de regio.
Wanneer Boerema terugblikt op de oorlogsjaren, beschrijft hij deze als een periode van grote angst en onzekerheid. Dat er op de boerderij waar hij woonde een onderduiker verborgen zat, terwijl zijn buurman lid was van de NSB, droeg daar zeker aan bij. De klopjacht op onderduikers kwam soms gevaarlijk dichtbij. Zo vertelde Boerema dat hij een keer op een besneeuwde ochtend zijn land op wilde gaan om op bunzings te jagen. De voetsporen zouden immers goed zichtbaar zijn in de verse sneeuw. In plaats van bunzings trof hij echter twee Duitse soldaten op zijn land aan. "𝘒𝘰𝘮𝘮𝘦𝘯 𝘚𝘪𝘦 𝘩𝘪𝘦𝘳𝘩𝘦𝘳!”, werd hem toegeroepen. Toen hij bij de soldaten aankwam, drukte een van hen zijn machinepistool tegen Boerema’s borst. Heel langzaam en voorzichtig haalde Boerema zijn handen uit zijn zakken en pakte hij zijn Ausweis, waarop zijn vrijstelling om op het land te werken stond, om die aan de soldaten te laten zien. Plotseling klonk verderop een fluitje. Dat was voor de Duitsers het teken dat de onderduiker was gevonden. Zo snel als dat de soldaten waren verschenen, waren ze ook weer verdwenen.
Toen eind 1944 de bevrijding van Nederland al deels op gang was gekomen, werd Boerema gedwongen om in de omgeving van Groningen en Haren schuttersputjes en tankgeulen te graven. Ook zag hij hier een trein die in de verte werd beschoten. Hij dacht aanvankelijk dat het eerste vliegtuig de richting aangaf en het tweede vliegtuig schoot. Dit bleek echter te komen door de afstand die het geluid moest afleggen.
Vlak voor de bevrijding van Marum benaderde het verzet Boerema met het verzoek de Binnenlandse Strijdkrachten te ondersteunen. Hij kreeg een witte band en zou, zodra de Canadezen waren aangekomen, helpen de orde te handhaven. De eerste keer dat hij daadwerkelijk oog in oog stond met de bevrijders, bewaakte hij samen met twee andere mannen, gewapend met een geweer, het kruispunt van de Molenweg en Boerakkerweg (tegenwoordig is dit de rotonde waar kunstwinkel Roesd zit). Op het moment dat de Canadezen daadwerkelijk arriveerden zorgde hij er eerst goed voor dat zijn BS band goed zichtbaar was om niet aangezien te worden voor een Duitse bezetter. Daarna volgde een emotionele ontlading. De oorlog was nu écht voorbij.
Boerema’s hulp aan de Binnenlandse Strijdkrachten hield hier niet op. Hij hielp daarna nog enige tijd bij het bewaken van kamp Nuis. In dit voormalige werkkamp van de Nederlandse Arbeidsdienst werden na de bevrijding collaborateurs vastgehouden. Volgens Boerema ging het er vooral in de eerste dagen nogal ruig aan toe bij de behandeling van de gevangenen. Hij voegde er echter aan toe dat dit beter was dan het alternatief: een echte bijltjesdag, waarbij ongetwijfeld vele slachtoffers zouden zijn gevallen.
Na de oorlog werd Boerema actief in de politiek. Naast zijn werk als boer was hij zestien jaar lang wethouder van de gemeente Marum, tot aan zijn pensionering in 1986. Ook is hij mede-initiatiefnemer van Landbouw- en streekmuseum ’t Rieuw, waarvoor hij zich nog steeds inzet. Toevallig is in streekmuseum ’t Rieuw momenteel ook de expositie van Stichting Bunkerbehoud Trimunt te zien. (Het weekend van 18 oktober voor het laatst, daarna wintersluiting).
Inmiddels is Jan Boerema 107 jaar oud en woont hij nog steeds in Marum. Over zijn oorlogsverleden is hij altijd bescheiden en nuchter gebleven. Als je hem vraagt hoe het met hem gaat, zal zijn antwoord waarschijnlijk hetzelfde zijn als in 1940: ‘𝐴𝑙𝑙𝑒𝑠 𝑤𝑒𝑙’