02/08/2026
Zondag, 2 augustus; tussen 12:00 en 13:00 uur
LANGS HET GRINDPAD VAN DE VADER
Langs het ouderlijk huis lag een grindpad. Het lag er al zolang men het zich herinnerde. En ook al was het niet zo groot, toch moesten er al ontelbare voetstappen overheen zijn gegaan. Misschien wel zoveel als er aan kiezels lag.
Op een dag liepen de Vader met zijn Kind hand in hand over het grindpad richting keukendeur, toen de Vader zich plots bukte en een kiezel opraapte. Hij hief zijn arm, hield de steen tegen de heldere lucht en kneep een oog dicht.
“Dit is wel een hele mooie”, sprak hij en legde hem, alsof hij kon breken, voorzichtig op de vensterbank van het huis. Daarna wendde hij zich weer tot het Kind.
“Wat zou jij het mooiste vinden?” en hij maakte een uitnodigend gebaar over het hele pad.
“Dat weet ik zo niet, Vader”.
“Nou, als jij jouw mooiste vindt, moet je die maar naast die van mij leggen”.
De volgende dag scheen de zon met koesterende vakantiestralen. En onder het heerlijk koele lover van de grote plataan hurkte het Kind op het schaduwrijke pad in een zee van kiezels. Het legde er telkens één opzij, op het gras naast het pad. Na een uur lagen er al heel wat kiezels op het gras. Vader bezag zijn Kind vanachter het keukenraam en stond op het punt om naar buiten gaan en zijn Kind te vertellen dat het de kiezels gewoon achter zich neer moest gooien, maar hij bedacht zich. Hij realiseerde zich dat zijn Kind zijn vraag zeer serieus had genomen. Dat was mooi en dat beetje grind zou hij morgen wel weer van ’t gras halen.
“En…”, vroeg Vader die avond, “…heb je ‘m al gevonden?”
“Ik ben nog niet klaar, Vader”, antwoordde het kind. “Mag ik van tafel?”
Toen het Kind van tafel ging vroeg de Moeder aan de Vader waar dit overging?
“Och,” zei de Vader, “ik vond een prachtige kiezel in het grind en heb hem apart gehouden. Toen heb ik ons Kind gevraagd, welke het de mooiste vond. Vandaag zag ik echter dat ons Kind mijn vraag wel héél serieus heeft opgevat. Het is uren aan het zoeken geweest, maar heeft ‘m nog niet gevonden.”
“Ja, maar…” sprak de Moeder zorgelijk, “…ik zag ook een hele plek grind op het gras, en dat…”
“Ja, ik weet het, Moeder”, onderbrak de Vader de Moeder, “ons Kind legt daar apart wat het afkeurt, zodat het niet in de war kan raken. Het is dus zeer systematisch én consciëntieus bezig. Ik vind het verbazend, maar ook heel intrigerend. En och: met de bladhark, hark ik dat straks zo weer terug.”
De volgende dag raakte er nog meer grind op het gras. En de dag daarop nog meer.
“Als dat zo doorgaat, Vader, ligt straks het hele grindpad op het gras,” sprak de Moeder over de schouder van de Vader, die iets vanachter het keukengordijn het Kind met toenemende verbazing gadesloeg.
“Och Moeder, dat hark ik zo weer terug. Maar ik ben nu wel erg benieuwd waar ons Kind mee komt.”
De Vader bezag zijn Kind de volgende dag herhaaldelijk vanachter het keukenraam en verbaasde zich over de snelheid en de concentratie van zijn Kind. Zijn nieuwsgierigheid groeide: waar kwam het mee aan? En ja, na een week - vrijwel het gehele grindpad lag nu op het gras - zag hij zijn Kind blij overeind komen en met voorzichtig toegevouwen handen naar de keukendeur lopen. Snel deed hij open.
“Kind, daar ben je dan eindelijk! Laat zien, wat heb je gevonden, wat heb je in je handen?”
Het Kind keek glunderend op en opende de handen. Daarin lag een klein, hemelsblauw vogeleitje. Puntgaaf.
“Ja mooi, Kind, prachtig, maar welke steen vind je nu de mooiste?”
Het kind keek even om.
“Die, Vader”, en het Kind wees naar de kiezels in het gras.
“Die? Welke dan? Allemaal? Maar Kind, ik vroeg je toch de mooiste uit te zoeken?”
“Dat heb ik gedaan, Vader.”
Het Kind liep naar de vensterbank en legde het eitje naast het steentje van de Vader.