28/08/2026
De stedelijke waarde als graadmeter voor een geïnventariseerd pand zoals Villa Les Tournesols in De Panne
Steden en gemeenten hoeven niet te bezwijken onder ‘inventarispijn’, schrijft Paul Vermeulen. Hij neemt Oostende als voorbeeld.
Paul Vermeulen, Architect (De Smet Vermeulen architecten), hoogleraar Urban Architecture (TU Delft).
De verontwaardiging over de nakende sloop van Villa Les Tournesols in De Panne is groot en terecht. Een schepen die het liever anders had gezien, klaagt dat hij niets tegen de aanvraag kon beginnen. De villa staat op de erfgoedinventaris, maar is niet geklasseerd en geniet dus geen bescherming (en evenmin financiële steun als je wil renoveren). Het doet me denken aan Oostende, zo’n twintig jaar terug. Ook daar was toen een schepen die niet wist wat hij aan moest met het erfgoed op de inventaris, dat onder druk stond van projectontwikkelaars. De schepen zelf stond onder druk van Dement Oostende, een potige bewonersorganisatie die genoeg had van de sluipende verdwijning van ‘het geheugen’ van de stad: geïnventariseerde, maar niet-beschermde erfgoedpanden. Die schepen, die de geïnventariseerde panden doorgaans “gebuisde monumenten” noemde, nam toen een moedig besluit. Hij ging te rade bij de Vlaamse Bouwmeester (Marcel Smets), die een studieopdracht uitschreef om het probleem uit te klaren. Ons bureau voerde die studieopdracht uit, in overleg met het stadsontwikkelingsbedrijf en de stedelijke administratie.
Architect Virgil Declercq pleitte ervoor (DS 22/08) voor om juridische consequenties aan de inventaris te verbinden. Misschien had Villa Les Tournesols de monumentenstatus verdiend, maar dat kun je niet wensen voor de zeer vele panden die de inventaris bevolken en behoud verdienen. Declercq stelt dat dit verspreide erfgoed, ook als het tussen twee flatgebouwen staat, de stad maakt. Daar zit inderdaad de crux. In Oostende zijn we destijds een tweede keer door de lijst gegaan, niet om de erfgoedwaarde te controleren – die was al vastgesteld – maar om de stedelijke waarde te evalueren. Vertegenwoordigt een gebouw een bijzonder of zeldzaam type? Versterkt het de stadsstructuur, zoals een hoekpand? Valt het op door zijn schaal? Staat het in de nabijheid van een monument? Maakt het deel uit van een homogeen straatbeeld? Of, omgekeerd, kruidt het een heterogeen straatbeeld door zijn andersheid? Met zulke indicatoren kon de stedelijke waarde van een geïnventariseerd pand gemotiveerd en behoud opgelegd worden. Viel de stedelijke waarde lichter uit, bleef renovatie de aanbeveling. Vervangbouw kon, als die de vastgestelde architecturale en stedelijke waarde evenaarde volgens een commissie (zeg maar kwaliteitskamer). Eenzelfde of soortgelijke aanpak is nadien door andere gemeenten overgenomen.
De les is dat een door ‘inventarispijn’ geplaagde schepen helemaal niet machteloos is en op meer medestanders kan rekenen dan gedacht. In het geval van Oostende: de Vlaams Bouwmeester, het stadsontwikkelingsbedrijf, gemotiveerde ambtenaren, een studiebureau en het immer alerte Dement Oostende, als spreekbuis van de bewoners (zij maken het verschil en gaan ook voor in de erfgoedzorg). De evaluatie van ons Actieplan Bouwkundig Erfgoed laat ik aan anderen over, maar ik zag in Oostende de voorbije jaren veel fijne renovaties van panden uit de inventaris. De trots op de stad en haar veelkantige geheugen is opgeveerd. Zelfs de grote monumenten, tot voor kort verlept, worden nu aangepakt: de Koninklijke Gaanderijen, binnenkort Victor Bourgeois’ stadhuis. Maar over de Oosteroever en Fort Napoleon zal ik het hier nu even niet hebben.
Steden en gemeenten hoeven niet te bezwijken onder ‘inventarispijn’, schrijft Paul Vermeulen. Hij neemt Oostende als voorbeeld.